Reisverslag
HET JONGENSHUIS IN JINJA - reisverslag april mei 2006
Hieronder een deel van een verslag dat ik maakte van een 14-daags verblijf in het weeshuis - van 23 april - 7 mei 2006. Heb je belangstelling voor het volledige verslag, mail mij dan: hedy@jinjakids.com
Hedy Coldenhoff
Oeganda
Oeganda ligt aan het Victoriameer in Oost-Afrika. Het land heeft zich, na de slechte tijd met Amin, positief ontwikkeld. Aan de aids- en malariaproblematiek wordt zichtbaar gewerkt. Indiers zorgen voor handelsactiviteiten (supermarkten, telefoon-winkels, electro). De kerk is zeer actief voor de zwaksten.
Het klimaat van Oeganda is relatief gunstig. Het heeft een zomer (december, januari) waarin het (te) warm is. Het ligt immers op de evenaar. Er is echter ook een regentijd. In de 14 dagen dat ik er was heeft het 's nachts flink geregend. 's Morgens was 't dus wat fris. In de loop van de dag steeg de temperatuur naar ongeveer 23 tot 25 graden.
Jinja, St. Mugagga Boys' Home
Naast de hoofdstad Kampala heeft Oeganda een aantal middelgrote stadjes, waaronder Jinja. Jinja ligt ten zuid-oosten van Kampala. Iets daarbuiten ligt het terrein van St. Mugagga Boys' Home. Het weeshuis voor jongens van 4 tot ongeveer 16 jaar, opgericht in 1964 door de Diocese van Jinja. De doelstelling is zorg en bescherming geven aan weeskinderen. Momenteel wonen er 18 jongens van 4 t/m 12 en 10 jongens van 13 t/m 17. De jonge kinderen gaan naar primary school, de ouderen naar secundary of technical school.
Het terrein van St. Mugagga Boys' Home is een mooi glooiend terrein, met gras en bomen. Daarop een aantal gebouwen, waaronder de keuken- en eetruimte, de slaapgebouwen, gebouw voor de broeder, klasgebouw, gebouw voor de vrijwilligers. Een prachtige omgeving. Om het terrein ligt land dat ook van het huis is. Deels verwilderd, deels sinds kort bebouwd met groenten.
De manager (director) van het jongenshuis is broeder Lwanga Mbaaga. Hij werkt daar sinds 16 maart jl. De broeder heeft hulp van twee jonge broeders, een vrouw die kookt en voor de jongens zorgt (de mamma) en een jongen van 18 die in het weeshuis is opgegroeid, is blijven 'hangen' en o.a. de jongens bij hun werk op de compound achter de vodden zit.
Buiten het terrein is het gebouw van de Diocese (bisschopdom) van Jinja. Daar zetelt Bisschop Willigers. Daar werkt ook Pater Kawanguzi, de chairman van het jongenshuis, mevrouw Mary Kafuko, de supervisor van de vrijwilligers. Zij is maatschappelijk werkster in de regio. De vrijwilligers worden voorbereid en begeleid door Missie en Jongeren, een Nederlandse organisatie die jongeren uitzendt naar missionaire projecten. Lisa en Betty hebben in de eerste maanden van hun verblijf begeleiding gekregen van pater Kees Groenewoud.
De financiele positie van het jongenshuis
Het weeshuis krijgt geen subsidie van de overheid. In tegendeel, als men bij de overheid aanklopt, zegt deze: Hebben jullie een weeshuis, mooi, hier heb je wat wezen.
Het weeshuis krijgt voedsel (mais, suiker en olie) van het WFP (World Food Programm). Verder wordt het financieel geholpen door een paar kerkelijke instellingen en vrienden. Vrijwilligers die via Missie en Jongeren daar gaan werken raken vaak betrokken en gaan onder vrienden en familie geld ophalen. Aan de kleren van de jongens en aan de voeding te zien, kan het weeshuis wel wat geld gebruiken. Ook de gebouwen zijn aan een goede opknapbeurt toe. De daken van de jongensslaapruimten en het dak van 't huis van de broeder lekken. Geld om de gebouwen goed te onderhouden is er kennelijk niet.
De dagen van de jongens
Door de week, als er school is, gaat de 'wekker' om 5.00 uur. De jongens gaan dan eerst een half uur naar een lokaal om te bidden met de broeder. Daarna aan het werk: het gras maaien (met de hand), gebouwen aanvegen (met een bundel hard gras), gebouwen schoonmaken, kleren wassen, op het land meehelpen.
Om 7 uur ontbijt (porridge d.w.z. maispap), daarna nette kleren aan en naar school. De school ligt 500 meter buiten het terrein. Tot 13.00 uur, dan weer naar de compound voor de lunch (pocho, een iets vastere vorm van maispap, met bonen). De kleintjes blijven dan thuis, de groten gaan om 14.00 uur weer school, tot 16.00 uur. Dan nog een uur werken, van 17.00 tot 18.00 uur vrij, om 18.00 badderen (teiltje met water), 19.00 uur weer een gebedje en dan om 20.00 uur eten (weer pocho met bonen).
Van 20.30 tot 22.00 uur moeten de 'groten' (van 8 tot 16 jaar) huiswerk maken. De kleintjes gaan om 20.00 uur naar bed. Om 22.00 is alles stil.
Tijdens de week-ends en de vakanties staan de jongens om 06.00 uur op. Ze moeten dan meer uren werken, maar hebben ook iets meer vrije tijd. Van 14.00 tot 16.00 uur moeten ze op hun bed rusten.
Voeding
Het eten van de jongens is zeer eenzijdig. Drie keer per dag pocho aangevuld met bruine bonen of spliterwten. Het WFP, World Food Programm van de Verenigde Naties zorgt voor mais, suiker en olie. Januari 2007 stopt deze bijdrage aan het jongenshuis. Het is me niet duidelijk geworden waarom. Er is twee jaar geleden door Italiaanse zusters een koe geschonken, die zorgt voor de melk in de maispap.
De broeder die er sinds twee maanden is, is van boerenafkomst. Dankzij geld van onze inzamelingsactie heeft hij het verwilderde land om het terrein kunnen laten kappen en omploegen. Vervolgens heeft hij wekenlang met hulp van twee arbeiders, twee broeders en de oudere jongens, het land bewerkt. Er groeien sinds kort aardappelplanten, cassave, matoke en bananenbomen.
Als alles meezit hebben de jong en paar maanden veel meer variatie in hun voeding. Een tweede speerpunt van broeder Lwanga is vlees bij het eten. Het konijnenhok zal worden gerepareerd, zo ook de kippenren, en er worden varkens gefokt. En vanaf nu is het vlees niet alleen voor de broeders, maar ook en speciaal voor de kinderen. Een derde belangrijk punt in verband hiermee is een omheining. Als je geen duidelijke afscheiding maakt (hekken en hagen) is de groente gestolen voor het geoogst kan worden. Ook hieraan wordt nu hard gewerkt.